neerlandés » alemán

zui·gen1 <zoog, h. gezogen> [zœyɣə(n)] V. trans.

zin·gen2 <zong, h. gezongen> [zɪŋə(n)] V. intr.

zongen V.

zongen 3. pers. pl. imperf. van zingen¹, zingen²

Véase también: zingen , zingen

zin·gen2 <zong, h. gezongen> [zɪŋə(n)] V. intr.

zin·gen1 <zong, h. gezongen> [zɪŋə(n)] V. trans.

len·gen1 <lengde, h. gelengd> [lɛŋə(n)] V. trans.

1. lengen (langer maken):

2. lengen (dunner maken):

men·gen1 <mengde zich, h. zich gemengd> [mɛŋə(n)] V. wk ww

mengen zich mengen (zich inlaten met):

jon·gen1 <jongen|s> [jɔŋə(n)] SUST. m

1. jongen (kind van het mannelijk geslacht):

Junge m

3. jongen (adolescent):

Junge m

4. jongen (volwassen mannelijk persoon):

Kerl m
Junge m

5. jongen (jongen(s) en/of meisje(s)) pl.:

Kinder pl.

6. jongen (vrijer):

Freund m

van·gen <ving, h. gevangen> [vɑŋə(n)] V. trans.

3. vangen coloq. (beetnemen):

4. vangen coloq. (verdienen):

din·gen <dong, h. gedongen> [dɪŋə(n)] V. intr.

1. dingen (wedijveren):

2. dingen (trachten te verkrijgen):

3. dingen (afdingen):

feilschen a. pey.

don·gen V.

dongen 3. pers. pl. imperf. van dingen

Véase también: dingen

din·gen <dong, h. gedongen> [dɪŋə(n)] V. intr.

1. dingen (wedijveren):

2. dingen (trachten te verkrijgen):

3. dingen (afdingen):

feilschen a. pey.

gin·gen V.

gingen 3. pers. pl. imperf. van gaan¹, gaan²

Véase también: gaan , gaan

gaan1 <ging, i. gegaan> [ɣan] V. intr.

1. gaan:

gaan ((met) voer-, vaartuig)
zu Tisch gehen form.
er gaat (me) niets boven fig.
es geht nichts über +acus.
hoe ga je?
in sich acus. gehen
ik kan gaan en staan waar ik wil! fig. coloq.
te ver gaan fig.

6. gaan (verdwijnen):

(da)hin sein coloq.

han·gen1 <hing, h. gehangen> [hɑŋə(n)] V. trans. (bevestigen, ophangen)

hin·gen V.

hingen 3. pers. pl. imperf. van hangen¹, hangen²

Véase también: hangen , hangen

han·gen1 <hing, h. gehangen> [hɑŋə(n)] V. trans. (bevestigen, ophangen)

rin·gen <ringde, h. geringd> [rɪŋə(n)] V. trans.

1. ringen (varkens):

2. ringen (vogels):

3. ringen (voorwerpen):

vin·gen V.

vingen 3. pers. pl. imperf. van vangen

Véase también: vangen

van·gen <ving, h. gevangen> [vɑŋə(n)] V. trans.

3. vangen coloq. (beetnemen):

4. vangen coloq. (verdienen):

zui·den [zœydə(n)] SUST. nt geen pl.

2. zuiden (deel van de wereld):

Süden m

zui·pen <zoop, h. gezopen> [zœypə(n)] V. trans.

zul·len1 <zou> [zʏlə(n)] V. aux.

2. zullen (ter vorming van de conditionalis):


Página en Deutsch | English | Español | Italiano | Polski