neerlandés » alemán

en·kel1 <enkel|s> [ɛŋkəl] SUST. m

1. enkel (gewricht):

enkel
enkel
enkel

2. enkel:

enkel (enkele reis)
enkel (enkele reis)
enkel (bus, tram)

en·kel2 [ɛŋkəl] ADJ. (niet dubbel, niet samengesteld)

en·kel3 [ɛŋkəl] ADV. (alleen)

en·kel4 [ɛŋkəl] NUM.

1. enkel (niet meer dan één):

enkel
er is geen enkel gevaar
één enkel zaadje

3. enkel (enige) pl.:

enkel
enkel
enkel

Página en Deutsch | English | Español | Italiano | Polski