neerlandés » alemán

ge·lei·den1 <geleidde, h. geleid> [ɣəlɛidə(n)] V. trans.

be·ge·lei·den <begeleidde, h. begeleid> [bəɣəlɛidə(n)] V. trans.

2. begeleiden (met raad en daad bijstaan):

3. begeleiden (samengaan met):

in·lei·den <leidde in, h. ingeleid> [ɪnlɛidə(n)] V. trans.

ver·lei·den <verleidde, h. verleid> [vərlɛidə(n)] V. trans.

3. verleiden (brengen tot geslachtsgemeenschap):

weg·lei·den <leidde weg, h. weggeleid> [wɛxlɛidə(n)] V. trans.

om·lei·den <leidde om, h. omgeleid> [ɔmlɛidə(n)] V. trans.

rond·lei·den <leidde rond, h. rondgeleid> [rɔntlɛidə(n)] V. trans.

voor·lei·den <leidde voor, h. voorgeleid> [vorlɛɪdə(n)] V. trans.

ar·bei·den <arbeidde, h. gearbeid> [ɑrbɛidə(n)] V. intr.

uit·wei·den <weidde uit, h. uitgeweid> [œytwɛidə(n)] V. intr.

af·schei·den <scheidde af, h. afgescheiden> [ɑfsxɛidə(n)] V. trans.

2. afscheiden (ruimte, oppervlakte):

3. afscheiden (hars, melk, speeksel enz. produceren):

ge·schei·den [ɣəsxɛidə(n)] ADJ.

2. gescheiden (niet meer gehuwd):

uit·brei·den1 <breidde zich uit, h. zich uitgebreid> [œydbrɛidə(n)] V. wk ww


Página en Deutsch | English | Español | Italiano | Polski