neerlandés » alemán

nauw1 [nɑu] SUST. nt geen pl.

nauw2 <nauwe, nauwer, nauwst> [nɑu] ADJ.

1. nauw (smal):

nauw
eng

2. nauw (dicht aaneensluitend):

nauw
eng

3. nauw (innig):

nauw
eng

5. nauw (niet wijd):

nauw
eng
de jurk sluit nauw

Página en Deutsch | English | Español | Italiano | Polski